Het drama te Vlaardingen

17-03-2018 Nieuws Redactie

De akte van overlijden van Antje Beekman.

VLAARDINGEN - In dit voor Vlaardingen historische jaar waarin we de Slag bij Vlaardingen van het jaar 1018 herdenken, brengt Vlaardingen24 iedere dag een verhaal uit het Vlaardingse verleden. We doen dat aan de hand van een oud krantenbericht. Vandaag 17 maart 1904: Het drama te Vlaardingen.

Een 23-jarige schippersknecht zit gebroken in de Rotterdamse rechtbank. Hem hangt een jarenlange gevangenisstraf boven het hoofd. Hij heeft de Vlaardingse Antje Beekman doodgeschoten nadat zij de verkering met hem uitmaakte. Het rechtbankverslag uit de krant spreekt boekdelen over dit liefdesdrama.

Hedenmorgen werd voor de rechtbank de zaak behandeld tegen J. J. Van der W., 23 jaar schippersknecht, wonende te Scherpanisse (Zeeland), thans gedetineerd, ter zake dat hij op 14 December zijn, vroeger meisje, A. H. Beekman, wonende Kortedijk te Vlaardingen, met een revolverschot zou hebben gedood.

De aanklacht luidde: als zoude hij op 14 december 1903 te VIaardingen, opzettelijk om Antje Huberdina Beekman, met wie hij verloofd was geweest, doch die die verloving verbroken had, van het leven te berooven en na het plan daartoe beraamd te hebben, nadat hij met haar op een bank was gaan zitten, op dat meisje ter hoogte van haar hoofd hebben gericht een met vijf scherpe patronen geladen revolver, die hij ter uitvoering van dat plan eenige uren te voren te Rotterdam had gekocht en na aankomst te Vlaardingen, aldaar had geladen en daaruit een schot hebben gelost, waardoor een kogel dat meisje aan de linkerzijde van het hoofd is gedrongen door de schedelhuid, het schedeldak, de hersenvliezen en de hersenmassa, tengevolge van welk indringen van den kogel en de daarmede gepaard gaande bloeding voor het leven gewichtige hersendeelen vernietigd zijn, hetwelk op 18 december 1903 den dood van dat meisje veroorzaakt heeft. 

Zooals men reeds heeft vernomen, was het meisje de oudste dochter van een gezin van 8 kinderen, waarvan da moeder overleden is. Zij was de trouwe verzorgster van haar vader, broertje en zusjes. In deze zaak werden niet minder dan veertien, getuigen gehoord, onder wie vier deskundigen.

De beklaagde zat luid-snikkend in de bank der beklaagden, zoodat men hem een glas water moest geven. En toen hij door den president, mr. A.O.H. Tellegen, zou worden ondervraagd, was hij niet in staat te antwoorden. Vroeger was echter reeds door hem een volledige bekentenis afgelegd, die door den griffier werd voorgelezen. 

Zooals men reeds heeft vernomen, had Van der W. twee jaar verkeering met het meisje gehad. Tegen St. Nicolaas had hij echter van haar een brief ontvangen, waarin stond dat zij de verkeering afbrak. Hij had haar zelfs nog teruggeschreven, dat hij zou overkomen. Met dat doel was hij maandagmorgen naar Vlaardingen gekomen, na eerst een revolver te Rotterdam te hebben gekocht. 

Hij had het meisje ontmoet en was met haar den Parallelweg opgegaan. Toen zij was blijven weigeren de verkeering weer aan te knoopen, schoot hij op haar met het bekende gevolg. In den zak van hem vond men een brief door hem geschreven, waarin stond dat, indien zijn opzet was geslaagd (het meisje en zichzelf te dooden) men weten kon wie hij was en waar hij woonde. 

Als eerste getuige en deskundige werd gehoord dr. C. M. Hoogenboom, die verklaarde het eerste verband te hebben gelegd, na eerst het haar op de plaats der wond te hebben weggeschoren. De randen der wond waren blauw gekleurd. De kogel was het hoofd binnengedrongen door de schedelhuid, het schedeldak, de hersenvliezen en de hersenmassa. Daardoor was een bloeduitstorting in de hersens ontstaan. 

De deskundigen, dr. H. Kikkert van Vlaardingen, dr. P.H. Simon Thomas en dr. N. Ph. Tendeloo, bevestigden dit alles. Zij hadden eveneens geconstateerd dat er bloeduitstorting in de hersenen had plaats gehad. Het meisje was na verblijf van eenige dagen in het Ziekenhuis te Vlaardingen overleden. De deskundigen hadden het lijk geschouwd. 

Getuige G. Schipper verklaarde dat hij met getuige W. van der Graaf op genoemden avond op dan Parallelweg nad geloopen. Zij waren toegeroepen door een persoon, die op een bank naast een meisje zat. Toen zij naderbij gekomen waren, had de man verlaard, dat hij het meisje had geschoten en twee schoten op zichzelf had gelost. Getuige had een lucifer aangestoken en gezien dat het meisje een bloedende wond had aan den linkerslaap. Zij hadden toen op verzoek van beklaagde de politie gewaarschuwd. Deze was spoedig ter plaatse aanwezig en het meisje was met een raderbrancard naar het Ziekenhuis vervoerd. Getuige W. Van der Graaf bevestigde dit getuigenis en verklaarde nog, dat beklaagde had gezegd: ,,Ik heb twee schoten op mijn eigen gedaan... maar de revolver wil niet meer gaan.'' 

Getuige A. Groeneveld, politieagent te Vlaardingen, had beklaagde naar het politiebureau overgebracht. Die revolver en de patronen had beklaagde aan hem overgegeven. Getuige had den gespannen haan van de revolver neer willen doen, doch dit was niet gelukt.

Getuige J. W. Vunderink verklaarde dat hij op zaterdag 19 december 1903 in het Ziekenhuis beslag had gelegd op een lijk. De kist werd verzegeld en naar het Zieken huis aan den Coolsingel alhier vervoerd, waar het lijk was geschouwd. 

De heer H. F. Van Rosmalen, commissaris van politie te Vlaardingen, verklaarde dat hij den haan der revolver met een touwtje had vastgebonden. Getuige had de revolver Laten ontladen en geconstateerd, dat de haan weder werkte. 

De heer J. Stok, wapenhandelaar, Hoofdsteeg alhier, verklaarde dat beklaagde in den middag van 14 December 1903 in zijn winkel was gekomen en een revolver had gekocht. Hij had tegenover getuige beweerd een hond te moeten doodschieten voor zijn schipper. De patronen en de revolver waren van gewoon kaliber.

Het O. M. bij monde van mr. H.M. Cohen Tervaert herinnerde er in zijn requisitoir aan, dat het meisje bij al haar huisgenooten en familielede was bemind. Droevig en, ernstig was het feit voor haar vader, treurig voor beklaagde's ouders, die wanhopig waren dat hun zoon thans voor zulk een gruwelijk misdrijf moest terechtstaan. Een jongen van 23 jaren, in den bloei van zijn leven, — opgevoed in de vrije natuur — zit thans ingesloten in de gevangenis. 

Spreker is overtuigd, dat beklaagde een ernstige poging heeft aangewend om ook zichzelf te dooden. Ik ben helaas verplicht — vervolgde spreker — een zware straf te eischen, daar beklaagde zich heeft schuldig gemaakt aan moord met voorbedachten rade. Beklaagde heeft een langen weg afgelegd van het station tot aan, de woning van Antje Beekman. Ik ben echter onder den, indruk van beklaagde's houding en overtuigd dat hij over zijn daad zwaar berouw gevoelt. Ik zal daarom de minste straf voor beklaagde vragen en eisch dat beklaagde wegens moord met voorbedachten rade zal worden veroordeeld tot 10 jaar gevangenischstraf. 

De beklaagde, barst bij het hooren van den eisch in een krampachtig snikken uit. (Groote ontroering op de tribune). 

De verdediger mr. H. P. Hermans wees er op in zijn pleidooi, dat beklaagde een volledige bekentenis heeft afgelegd en zeer berouwvol in de bank der beschuldigden zit. Hij heeft crirea 2 1/2 jaar verkeering met het meisje gehad en kwam dikwijls te Vlaardingen. Het meisje maakte weleens een tochtje met de schuit van dde beklaagde mede. Beklaagde was echter eens met een ander meisje uitgegaan. Dit was Antje Beekman ter oore gekomen en zij had daarop beklaagde het bekende briefje gestuurd. 

Hij is tot zijn daad gekomen door het lezen van romans, waarin, altijd een liefdesdrama als slot voorkwam. Daardoor opgewonden heeft hij een revolver gekocht en zich naar Vlaardingen begeven. Hij is met zijn meisje op dten Parallelweg gekomen, waar zij op een bank hebben plaats genomen. En onder de woorden: „Ons laatste uur heeft geslagen'' — alweder een boekenterm — heeft hij op zijn meisje, het noodlottige schot gelost. Op beklaagde is nog nimmer iets te zeggen geweest. Hij staat gunstig bekend en tot een bewijs hoe bemind hij was door de huisgenooten van zijn slachtoffer, diene, dat zelfs zij hem hebben vergeven, hoewel hij hun het dierbaarste wat zij bezaten, heeft ontnomen. 

De eisch van het O.M. vond spreker te hoog. Deze beklaagde is geen misdadiger voor wien strenge afzondering hoog noodig is. ,Spreker riep de clementie der rechtbank voor zijn cliënt in. 

Acht dagen later wordt de schutter veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf.

Gerelateerd
Reacties