Column: Kar(ma)

25-05-2019 Nieuws Cherie de Vries

Ik zal een jaar of 11 geweest zijn, dat ik met mijn ouders meeging naar de dierenwinkel. Ze liepen wat vooruit en ik stopte bij een grote kooi met twee duifjes erin, om te kijken wat de medewerkster aan het doen was. Ze pakte twee eitjes uit het nestje en gooide ze in de prullenbak. Ze zag dat ik aan het kijken was en zei lachend ‘ach, dat zijn lege eieren hoor, ze zijn niet bevrucht ‘, waarop ze wegliep en mij verbouwereerd met open mond liet staan.

Eenmaal uit de dierenwinkel stak ik mijn arm in die van mijn moeder en babbelend liepen we de volgende winkel in. Op een gegeven moment stak mijn moeder haar hand in haar jaszak, waarop ze gillend riep, ‘Gatsie, wat is dit?’ Een klonterig geheel hield ze in haar hand, vier slijmerige pootjes en twee snaveltjes vol bloed met eierschil gleden van haar hand. Ik riep hard. ‘Oh dat zijn mijn duiveneitjes! Zie je wel, ze waren niet leeg! Het waren wel baby’tjes!’ Ik had de eitjes uit de prullenbak gehaald en in mijn moeders jaszak gedaan, want ik had toch gestolen. Beter dat ze dan mijn moeder zouden arresteren dan mij, toch? En bovendien vond ik de eitjes zelf te eng om vast te houden.

Een paar jaar later kreeg ik van een klasgenootje twee eitjes van een wandelende tak. Met watjes en takjes in een doosje had ik een fijne broedplaats voor ze gemaakt. Tot op een dag de eitjes waren uitgekomen. En nergens die takken te zien waren. Ze waren gewoon ontsnapt. Mijn vader grapte ‘pas maar op, dadelijk kruipen ze bij je in bed’. Dat had hij nooit moeten zeggen. Bruh, die wandelende takken zien er best eng uit. Ik heb maandenlang niet meer op mijn kamer durven slapen. Ja, ik houd van dieren, maar ze moeten wel aaibaar zijn en wat haar of veren hebben, wil (eigenlijk: durf) ik met ze te kroelen.

Mijn ouders hebben samen met mijn broers en zus best wel wat te stellen gehad met ons als kinderen. Mijn broer nam een keer een alligatorbaby in een doos mee naar huis. Op het moment dat mijn moeder haar hand in de doos wilde stoppen zag ze het dier met open bek naar haar staren. En mijn jongste broer vond kikkers en padden altijd zo schattig.

Nu ik zelf kinderen heb, begrijp ik mijn moeders hysterische momenten. Achteraf grappig, maar op dat moment totaal niet. Ik zat met mijn vriendin in de tuin te kletsen en mijn zoontjes, toen destijds een jaar of vier, waren aan het spelen. Mijn zonen vonden het leuk om een huisje voor regenwormen te maken en even te bewaren in mijn volle wijnglas. Met een slok wijn en een mond vol regenwormen in mijn mond en aan mijn lippen en een ‘mama je hebt onze lieve wormpjes opgegeten’, moest ik ineens aan mijn moeder denken. Dit was dus kar(ma).

 

 

Gerelateerd