Column: Ik vertrek

01-10-2016 Nieuws Suzanne Stevense

Half Nederland (en statistisch gezien dus ook half Vlaardingen) kent het programma wel. Ogenschijnlijk licht naïeve koppeltjes gaan eindelijk hun diepgewortelde dromen najagen, die gek genoeg bijna altijd bestaan uit het ontvangen van vakantie behoevende landgenoten op een dor veld (te transformeren tot super camping) ergens in een vergeten plek in Europa. Vol goede moed en met een beetje bravoure wordt het afscheid gevierd met de stakkers (collega’s, vrienden en familie) die moeten achterblijven, omdat zij niet het ondernemerschap dan wel het lef hebben om hun huidig bestaan op te geven voor een ondoordacht en matig voorbereid avontuur in een land waar niemand je kent en je de taal niet spreekt.

Eenmaal aangekomen op de plek van bestemming is de werkelijkheid vaak verder verwijderd van de droom dan van te voren bedacht. De eerste tekenen van het verval en daarmee het bijstellen van die droom laten zich zien. Het toiletgebouw wordt toch niet opnieuw gebouwd, het zwembad blijft een half afgegraven kuil en het koken voor dertig man is toch iets anders dan 6 keer voor 5 personen. Alle tegenslagen worden zonder verweer geïncasseerd. Soms lijken de hoofdrolspelers een bokser in de hoek van de ring die met z’n armen omlaag, volledig uitgeput de ene linker na de andere rechter in ontvangst neemt. Ik kijk met half open mond toe, “hoe hebben ze zo stom kunnen zijn?”, vraag ik mij keer op keer af.

En dan gebeurt er altijd iets bijzonders. Als lijkt dat het echt niet meer erger kan is er ineens dat lichtpuntje… De eerste boeking of de opening met de nieuwe kennissen uit het dorp, bezoek van de burgemeester of hulptroepen uit eigen land. En dan gaat het hard, de lijven zijn zichtbaar afgetraind, het kantoorvet is er af. De routine is er langzaam ingeslepen en de campingeigenaar lijkt haast een beetje ingeburgerd te midden van zijn nieuwe kennissen, waarvan een aantal reeds tot vrienden zijn gepromoveerd. En ik zie mijzelf weer kijken, een beetje schamper moet ik toegeven dat het mij mogelijk niet was gelukt, dat ik blijkbaar dat ondernemerschap of lef niet heb om zo’n sprong in het diepe te wagen. Ik kijk naar een man en een vrouw op televisie die hun geluk zijn gaan zoeken en het blijkbaar (vaak in aangepaste vorm) hebben gevonden. Met recht succesvolle gelukszoekers.

Gelukszoekers? Deze term wordt vaak in een andere context gebruikt als dat ik ‘m zojuist heb toegepast. Op het moment dat ik het woord “Gelukszoeker” heb uitgesproken, roept dat in het algemeen een beeld op van een geniepig uit z’n ogen kijkende, ongeschoren, licht getinte man van in de dertig. Deze man probeert in het geniep (vandaar zijn gelaatsuitdrukking) zijn geluk te zoeken, door Nederland binnen te dringen en zich te goed te doen aan allerlei voordeeltjes, die wij in al onze naïviteit voor onszelf hadden bedacht. Deze asielzoeker vermomd als gelukszoeker heeft geen wroeging en geen respect voor onze maatschappij en “ons soort” mensen en denkt alleen maar aan zichzelf en het geluk dat hij zichzelf kan toe-eigenen ten koste van ons.

Maar zijn asielzoekers niet per definitie gelukszoekers, anders waren zij er toch niet? En is het niet vanzelfsprekend dat het vaak om jonge mannen gaat? Zij lopen namelijk het meeste gevaar in eigen land en hebben vaak als enige van de familie de kracht en de moed om de stap te wagen. Waar zij vandaan komen maken dromen plaats voor nachtmerries. De werkelijkheid heeft hen ertoe gedwongen het allerlaatste redmiddel, onderaan het redmiddelenlijstje aan te spreken en daar staat “Ik vertrek”. Onderaan het lijstje, omdat dit gelijk staat aan gevaar, een mogelijke dood, verdriet, angst, onzekerheid, torenhoge kosten en in hun eigen ogen waarschijnlijk zelfs lafheid. Omdat ze er voor kiezen hun laatste greintje zelfrespect over boord te zetten en hun geliefden in een onveilige situatie achter te laten, in plaats van hun eigen plek in hun eigen land op te eisen.

In mijn “achtertuin” worden binnenkort asielzoekers gehuisvest, zogenaamde statushouders. Mensen die volgens de Nederlandse staat recht hebben op asiel en dus geluk. Deze mensen zijn mannen en wachten op een permanente woning. Het feit dat het alleen om mannen gaat stuit op veel verzet.

Ik kan niet anders dan mijzelf te verplaatsen in deze mensen. Wat als ik zou moeten vertrekken en mijn geliefden zou moeten achterlaten in een oorlogsgebied? Wat als ik aan zou komen in een onbekend land dat ik niet begrijp en waar ik de taal niet spreek? Als ik de uitverkorene tussen de rest zou zijn die wel een status heeft gekregen? Als ik bij gratie van die status tijdelijk zou worden gehuisvest in een oud schoolgebouw, dat provisorisch is getransformeerd tot meerdere wooneenheden? Als ik vervolgens met angst en afschuw wordt bekeken en bedreigd, omdat ik een indringer, een gevaar zou zijn voor de maatschappij en de vrouwen en kinderen in mijn directe omgeving? Wat als ik in die situatie op een donderdagavond om vijf voor half negen in mijn wooneenheid het programma “Ik vertrek” zou kijken…ik zou wensen dat ik me had opgegeven toen ik vertrok, om in ieder geval één keer te laten zien waarom ik een gelukszoeker ben om vervolgens stilletjes te hopen op mijn lichtpuntje…

 

Reacties
Bedrijven Alle bedrijven »






Vacatures Alle vacatures »
Altijd Up-to-date